7.1 Psychotherapie

Vorige artikel Volgende artikel

Er is vrij veel onderzoek is gedaan naar de effectiviteit van diverse vormen van behandeling van boulimia nervosa (zie voor overzichten: Anderson & Maloney, 2001; Compas e.a., 1998; Hay & Bacaltchuk, 2003; Ghaderi & Andersson, 1999; Hartmann e.a., 1992; Johnson e.a., 1996; Lewandowski e.a., 1997; Whittal e.a., 1999; Wilson, 1989). Meestal was het onderzoek waarin de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie en/of psychofarmaca werd onderzocht. Andere vormen van psychotherapie dan cognitieve gedragstherapie werden nauwelijks of niet op effectiviteit onderzocht. Een uitzondering hierop vormt de interpersoonlijke therapie (Fairburn e.a., 1991; Fairburn e.a., 1993; Fairburn e.a., 1995). De laatste jaren zijn in de Verenigde Staten enkele multicenter trials gestart, waardoor er grote aantallen patiënten kunnen deelnemen en de statistische power van het onderzoek flink vergroot is (Agras e.a., 2000). De bevindingen zijn tot op heden redelijk consistent en evidence-based behandeling is in geval van boulimia nervosa zeker mogelijk.

 

Om de vraag te beantwoorden welke vormen van psychotherapie effectief zijn bij boulimia nervosa werd een literatuuronderzoek uitgevoerd in de databases van PsycINFO en Pubmed. De volgende zoektermen zijn gebruikt: ’outcome’, ‘treatment’, ‘therapy’, ‘trial’, ‘anorexia’, ‘bulimia’ en ‘eating disorders’, in wisselende samenstelling. Er bleek onderzoek gedaan te zijn naar de effectiviteit bij boulimia nervosa van cognitieve gedragstherapie, interpersoonlijke therapie, gedragstherapie zonder cognitieve interventies (waaronder dieetmanagement, exposure met responspreventie en dialectische gedragstherapie), en zelfhulp volgens cognitief-gedragstherapeutische principes

 

7.1.1 Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve gedragstherapie (CGT) is gebaseerd op het oorspronkelijke behandelprotocol van Fairburn uit Oxford (Fairburn, 1981; Fairburn e.a., 1993) en bestaat uit procedures die zijn gericht op de verandering van gedrag en cognities. Het primaire doel is een regelmatig en normaal eetpatroon te ontwikkelen en een afname van disfunctionele cognities over eetgedrag, lichaamsvormen en lichaamsgewicht te bewerkstelligen. De behandeling is beperkt in tijd (19 individuele sessies van ongeveer 50 minuten in 20 weken, met huiswerkopdrachten), probleemgeoriënteerd, en gericht op het heden en de toekomst.

 

Wetenschappelijk bewijs
Verschillende meta-analyses en reviews tonen dat CGT de meest effectieve behandeling voor boulimia nervosa is. In een meta-analyse van 26 kwalitatief goede onderzoeken naar de effectiviteit van CGT concludeerden Lewandowski e.a. (1997) dat CGT sterke effecten heeft, zowel op de gedragssymptomen (eetbuien, lijnen, eetgedrag) als op de cognitieve symptomen (attitudes en cognities met betrekking tot lichaam en eetgedrag). Effectgroottes varieerden rond de 0,7 en dat is redelijk hoog. De followupbevindingen toonden een kleiner effect, deels was dit een gevolg van een tekort aan follow-upmetingen en sterk wisselende duur van de follow-upperiode. Lewandowski e.a. (1997) concludeerden dat het gebruik van CGT bij de behandeling van boulimia nervosa resulteert in een substantiële reductie van eetstoornissymptomen, wat betreft zowel gedrag als attitudes en cognities. Whittal e.a. (1999) kwamen in hun meta-analyse tot dezelfde conclusie, en zij concludeerden tevens dat CGT de meest effectieve psychotherapie voor boulimia nervosa is, effectiever dan welke andere vorm van psychotherapie dan ook. De eetbui- en purgeerfrequentie was na CGT met 80% gereduceerd, en ongeveer 50% van alle patiënten had helemaal geen eetbuien meer. Naast vermindering van specifieke eetpsychopathologie, werd het lichaamsbeeld positiever, verminderde disfunctioneel lijngedrag, en normaliseerden attitudes over lichaamsvormen en lichaamsgewicht. Daarnaast verminderden depressieve gevoelens en verbeterden zelfwaardering en sociaal functioneren. De gunstige resultaten werden ook op langere termijn behouden, en de follow-upgegevens illustreerden dat de werkzaamheid van CGT na afloop van de therapie toenam: tussen het beëindigen van de therapie en follow-upmetingen namen de verbeteringen op alle afhankelijke variabelen toe.

Hoewel de meeste onderzoekers hun behandelde patiënten niet langer dan een jaar volgen, is er één follow-uponderzoek bekend waarbij metingen zijn verricht 6 jaar na CGT (Fairburn e.a., 1995). Ook na die 6 jaar bleven de effecten behouden.
Tot op heden is er voor boulimia nervosa geen therapie die effectiever is dan CGT.

 

Conclusie

Niveau 1

Het is aangetoond dat cognitieve gedragstherapie zoals ontwikkeld en beschreven door Fairburn, de meest effectieve interventie is om het gestoorde eetgedrag en de disfunctionele cognities en attitudes van patiënten met boulimia nervosa te normaliseren.

Het is aangetoond dat het effect van de therapie na beëindigen op alle variabelen toeneemt.

A1 Anderson & Maloney, 2001; Lewandowski

e.a., 1997; Whittal e.a., 1999; Fairburn e.a., 1995

7.1.1.1 Cognitieve gedragstherapie in een reguliere setting

CGT blijkt niet alleen te werken in een academische onderzoekssetting. Er is ook onderzoek in een reguliere setting gedaan, niet in een randomised controlled trial (Tuschen-Caffier e.a., 2001). Zesenzestig patiënten werden voor en na therapie gemeten, en ook een jaar na beëindiging van therapie. Afhankelijke maten waren: een subjectief gevoel van welbevinden; het aantal eetbuien; eetgedrag (lijnen en emotioneel eten); ontevredenheid over het lichaam; en de mate van depressiviteit. De CGT werd aangepast aan de reguliere setting, waarbij er eerst 10 tot 14 dagen intensieve dagbehandeling gegeven werd, met veel exposure aan eten en lichaamsbeeld. Vervolgens 6 tot 8 weken ambulante therapie met eens per week een bijeenkomst met de therapeut. CGT in deze setting bleek te leiden tot een significante verbetering op alle afhankelijke variabelen, zowel direct na de therapie als een jaar later. Een jaar na therapie bleek 43% geen eetbuien meer te hebben en 66% van de patiënten voelde zich ‘veel beter’ of ‘heel veel beter’ na de therapie. Overigens was er een redelijk lage respons tijdens de follow-upmeting waardoor de lange termijn resultaten voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden. De resultaten tonen evenwel onomwonden aan dat protocollaire CGT niet alleen in een academische onderzoekssetting effectief is, maar ook bij een ongeselecteerde groep patiënten in een reguliere setting. Deze conclusies sluiten aan bij de onderzoeken van Wilson (1997, 1998). Hij beargumenteert dat de CGT-behandelprotocollen zoals die voor boulimia nervosa ontwikkeld en getoetst zijn in onderzoek, relevant, valide en goed in de praktijk bruikbaar zijn; zij voorspellen beter dan het klinisch oordeel.

 

Conclusie

Niveau 2

Cognitieve gedragstherapie is ook in een reguliere setting de meest effectieve interventie om het gestoorde eetgedrag en de disfunctionele cognities en attitudes van patiënten met boulimia nervosa te normaliseren.

B Wilson, 1997, 1998; Tuschen-Caffier e.a., 2001.

7.1.1.2 Klinische relevantie van de statistisch relevante effecten van cognitieve gedragstherapie

Lundgren e.a. (2004) onderzochten of de statistisch significante effecten die met CGT bereikt worden, ook klinisch relevant zijn. Een behandeling is klinisch betekenisvol als er op de verschillende uitkomstmaten aanzienlijke veranderingen plaatsvinden, en als de uitkomsten van de patiënt na de behandeling binnen het bereik van een normale populatie liggen. Analyse van 15 behandelonderzoeken toonde dat CGT inderdaad klinisch betekenisvolle resultaten gaf, in de zin van aanzienlijke verandering op de respectievelijke maten. De gedragssymptomen (eetbuien en eetgedrag) reduceerden vaak tot in het normale bereik, maar de cognitieve symptomen (denkbeelden en zelfwaardering) niet. Die kwamen zelden binnen een normaal bereik. De conclusie luidt dat er een aanzienlijke en klinisch betekenisvolle reductie in symptomen bereikt kan worden met CGT, maar dat de patiënten nog niet ‘normaal’ denken na afloop van de therapie. Dit kan een gevolg zijn van de nadruk op gedragstherapeutische technieken ten koste van cognitieve technieken.

Jansen e.a. (2002) toetsten de effectiviteit van pure cognitieve therapie zonder gedragsinterventies in een behandelsetting (RIAGG). De cognitieve therapie leidde tot een aanzienlijke afname in eetbuifrequentie: direct na therapie was de eetbuifrequentie met 47% gereduceerd, en 1 jaar na beëindiging van de cognitieve therapie was de reductie van het aantal eetbuien 88%. Tweeënvijftig procent van de patiënten was helemaal vrij van eetbuien 1 jaar na beëindiging van de therapie. Het lijngedrag verminderde significant, net als het piekeren over eten, gewicht en lichaamsvormen; disfunctionele cognities namen met 60% af. Ook de stemming was minder depressief en de zelfwaardering bleek significant hoger na afloop van de therapie en bij de follow-up een jaar later. Uitsluitend cognitieve herstructurering binnen een behandelsetting bleek dus zeer effectief in het verminderen van symptomen, zowel de eetstoornisspecifieke als de algemeen psychopathologische symptomen. In overeenstemming hiermee zijn de bevindingen van Hsu e.a. (2001) en Leung e.a. (2000), die in onafhankelijke onderzoeken vonden dat de cognitieve interventie de essentiële component van het succes van CGT is.

 

Conclusie

Niveau 1

Cognitieve gedragstherapie leidt tot een aanzienlijke en klinisch betekenisvolle reductie in symptomen, maar de patiënten denken nog niet ‘normaal’ na afloop van de therapie. Meer nadruk op cognitieve technieken is wenselijk.

A1 Lundgren e.a., 2004.

Niveau 2

Op zichzelf staande cognitieve herstructurering is effectief in het verminderen van symptomen, zowel de eetstoornisspecifieke symptomen als de algemeen psychopathologische symptomen.

B Hsu e.a., 2001; Jansen e.a., 2002; Leung e.a., 2000

7.1.1.3 De effectiviteit van individuele versus groepsgewijze cognitieve gedragstherapie

Een economisch relevante vraag is of CGT even effectief is als zij in groepen uitgevoerd wordt. In een onderzoek van Chen e.a. (2003) werden individuele CGT (50 minuten, 19 sessies) en CGT in groepen (6 patiënten per groep, 90 minuten per groep, 19 sessies) met elkaar vergeleken. De inhoud van de sessies was identiek aan elkaar. Afhankelijke maten waren eetbuien en eetgedrag (waaronder inadequaat lijnen), attitudes en cognities rondom eetgedrag, lichaamsvormen en -gewicht, sociaal functioneren, zelfwaardering en algemene psychopathologie. Individuele CGT en de groeps- CGT waren beide effectief. De individuele CGT leidde direct na therapie tot meer abstinentie van eetbuien en purgeren dan de groeps-CGT (respectievelijk 20% versus 0%), maar tijdens de follow-up na een half jaar was dit verschil verdwenen. Groeps- CGT bleek dus op lange termijn (zes maanden) even effectief als CGT voor individuen. De statistische power van dit onderzoek was evenwel zwak: het aantal patiënten dat behandeld werd, was klein. Eventuele relevante verschillen tussen de groeps-CGT en individuele CGT zijn wellicht statistisch niet aantoonbaar (Agras, 2003).

 

Conclusie

Niveau 2

Cognitieve gedragtherapie in groepen is op lange termijn even effectief als individuele cognitieve gedragstherapie.


B Chen e.a., 2003; Agras, 2003

7.1.2 Interpersoonlijke therapie

CGT lijkt effectiever dan de meeste behandelingen, maar voor interpersoonlijke therapie (IPT) lijkt dat niet op te gaan. Interpersoonlijke therapie is oorspronkelijk ontwikkeld als een kortdurende therapie voor depressies, waarbij patiënten interpersoonlijke problemen leren ontdekken en veranderen. Fairburn (1997) was de eerste die de therapie toepaste bij boulimia nervosa. IPT voor boulimia nervosa houdt in dat er geen aandacht geschonken wordt aan de eetproblemen zoals eetbuien, lijngedrag, purgeren of het piekeren over lichaamsvormen en -gewicht. De centrale gedachte is dat de eetproblemen voortvloeien uit de interpersoonlijke omstandigheden van de patiënt.

 

Wetenschappelijk bewijs
Er zijn enkele onderzoeken gedaan naar de effectiviteit van IPT gedaan, en steeds werd vergeleken met CGT. Hoewel IPT aan het einde van de behandeling minder effectief bleek dan CGT, in het bijzonder op het gebied van de cognities en attitudes ten opzichte van het lichaam, lichaamsgewicht en lijngedrag, waren deze verschillen verdwenen bij de follow-up vanwege een stijgende verbetering in de IPT-groep (Fairburn e.a., 1991; Fairburn e.a., 1993). Tijdens de follow-ups bleken IPT en CGT even effectief (95% reductie in eetbuifrequentie). Een half jaar later bleken deze gunstige resultaten nog te bestaan; 68% van de patiënten had geen eetstoornis meer na CGT of IPT (tegenover 14% na gedragstherapie; Fairburn e.a., 1995).

Deze gunstige resultaten voor IPT leidden tot een multicenter onderzoek waarin de effecten van CGT bij 110 patiënten vergeleken werden met de effecten van IPT bij 110 patiënten (Agras e.a., 2000). Eetgedrag, cognities rondom eten, gewicht en uiterlijk, stemming, angst en algemene psychopathologie werden bij de 220 patiënten gemeten, ook een jaar na beëindigen van de therapie. CGT bleek beter dan IPT aan het einde van de behandeling, zowel in het aantal patiënten dat de behandeling voltooide als in het aantal patiënten dat helemaal hersteld was en dus geen eetstoornis meer had; 45% bij CGT en 8% bij IPT. Ook in het percentage dat verbeterde (48% bij CGT en 28% bij IPT), en het percentage dat de ‘community norms’ voor eetgedrag en eetattitudes haalde (41% versus 27%) bleek CGT direct na afloop van de behandeling beter. Na 1 jaar bleek echter dat CGT het niet significant beter meer deed dan IPT (40% versus 27%). De conclusie van de onderzoekers was dat CGT significant sneller tot resultaten leidt, maar dat IPT op termijn ook tot diezelfde gunstige resultaten komt. Beide therapieën waren superieur aan uitsluitend gedragstherapie.

 

Conclusie

Niveau 1

Cognitieve gedragstherapie en interpersoonlijke therapie zijn op de lange termijn even effectief. De resultaten worden met CGT sneller bereikt (nog voor het einde van de therapie), waardoor CGT de voorkeursbehandeling blijft.

A2 Agras e.a., 2000; Fairburn e.a., 1991; Fairburn e.a. 1993; Fairburn e.a., 1995

7.1.3 Gedragstherapie

De volgende vormen van gedragstherapie worden bij boulimia nervosa toegepast:
  • Cue exposure met responspreventie, waarbij de patiënt wordt blootgesteld aan voorspellers van eetstoornissen, zonder dat er een eetbui op volgt.
  • Dialectische gedragstherapie: deze is oorspronkelijk ontwikkeld voor de behandeling van persoonlijkheidsstoornissen en is gericht op adequate affectregulatie (negatief affect is gerelateerd aan de ontwikkeling van eetbuien)

  • Wetenschappelijk bewijs
    Gedragstherapie zonder cognitieve interventies (zoals dieetmanagement, cue exposure met responspreventie, dialectische gedragstherapie) is in verschillende onderzoeken minder effectief gebleken dan gedragstherapie mét cognitieve interventies (Fairburn e.a., 1991; Fairburn e.a., 1993; Hsu e.a., 2001; Jansen e.a., 2002). Safer e.a. (2001) vergeleken het effect van dialectische gedragstherapie met een wachtlijstconditie. Hoewel de eetbui- en purgeerfrequentie sterk afnamen na dialectische gedragstherapie, en niet in de wachtlijstgroep, werden er op de andere relevante variabelen (attitudes en cognities over lichaamsvormen, -gewicht en eetgedrag, inadequaat lijngedrag, depressie, zelfwaardering enz.) geen verschillen tussen de groepen gevonden.
    Kleinschalige en/of niet-gecontroleerde pilot-onderzoeken naar exposure aan voorspellers van eetbuien (cue exposure) met responspreventie (geen eetbui) suggereren dat cue exposure met responspreventie effectief is bij de vermindering van de drang tot eten en eetbuien (Schmidt & Marks, 1989; Jansen e.a., 1989; Jansen e.a. 1992; Kennedy e.a., 1995; Jansen e.a., 2002). Cue exposure met responspreventie heeft geen toegevoegde waarde als het toegepast wordt na 8 sessies CGT (Bulik e.a., 1998). Vermoedelijk zijn met CGT al plafondeffecten bereikt, waardoor extra exposure- sessies geen meerwaarde hebben.

     

    Conclusie

    Niveau 1

    Gedragstherapie zonder cognitieve herstructurering (zoals dieetmanagement, cue exposure met responspreventie, dialectische gedragstherapie) is minder effectief dan cognitieve therapie en cognitieve gedragstherapie.

    A2 Fairburn e.a., 1991; Fairburn e.a., 1993; Bulik e.a., 1998; Hsu e.a., 2001; Safer e.a., 2001; Jansen e.a., 2002.

    Overige overwegingen
    CGT en IPT zijn effectieve behandelingen voor boulimia. CGT laat echter aanzienlijk sneller, al tijdens en direct na de behandeling, flinke verbeteringen zien, terwijl IPT pas een jaar later vergelijkbare effecten laat zien. De werkgroep raadt daarom patiënten met boulimia nervosa te behandelen met CGT, om te voorkomen dat zij een jaar langer last houden van de eetstoornis.
    In één onderzoek leek groeps-CGT even effectief te zijn als individuele CGT. Dit onderzoek is echter methodologisch niet optimaal opgezet, zodat verschillen tussen groepsbehandeling en individuele behandeling niet aangetoond konden worden. Vooralsnog is het bewijs voor de effectiviteit van groeps-CGT dus minder sterk dan het bewijs voor de effectiviteit van individuele CGT.

     

    Aanbeveling

    De werkgroep beveelt aan dat patiënten met boulimia nervosa ambulant én individueel behandeld dienen te worden met cognitieve gedragstherapie, in het bijzonder volgens het protocol zoals dat door Fairburn ontwikkeld is.

    Het protocol CGT is in het Engels verschenen in onder meer de volgende publicaties:
  • Fairburn, C.G., Marcus, M.D., & Wilson, G.T. (1993). Cognitive-behaviour therapy for binge eating and bulimia nervosa: a comprehensive treatment manual. In C.G. Fairburn & G.T. Wilson (Red.), Binge eating. Nature, assessment, and treatment (pp. 3-14). New York: Guilford Press.
  • Fairburn, C.G. (1997). Eating disorders. In D.M. Clark & C.G. Fairburn (Red.), Science and practice of cognitive behaviour therapy (pp. 209-242). Oxford: Oxford University Press.
  • Wilson, G.T., Fairburn, C.G., & Agras, W.S. (1997). Cognitive-Behavioral Therapy for Bulimia Nervosa. In D.M. Garner & P.E. Garfinkel (Red.), Handbook of treatment for eating disorders. New York: Guilford Press.
  • Voor de Nederlandse situatie is een bewerking gepubliceerd door Jansen en collega’s:
  • Jansen, A. (1996). Bulimia nervosa effectief behandelen. Een handleiding voor therapeuten. Lisse: Swets & Zeitlinger.
  • Jansen, A., & Meijboom, A. (1988). Behandelingsstrategieën bij bulimia nervosa. Houten\Diegem: Bohn Stafleu van Loghum (in de reeks Cure & Care Development).

  • Literatuur

    Agras, W.S. (2003). Commentary (on the paper of Chen et al., 2003). International Journal of Eating Disorders, 33, 255-256.
    Agras, W.S, Walsh, B.T., Fairburn, C.G., e.a. (2000). A multicenter comparison of cognitive-behavioral therapy and interpersonal psychotherapy for bulimia nervosa. Archives of General Psychiatry, 57, 459- 466.
    Anderson, D.A., & Maloney, K.C. (2001). The efficacy of cognitive-behavioral therapy on the core symptoms of bulimia nervosa. Clinical Psychology Review, 21, 971-988.
    Bulik, C.M., Sullivan, P.F., Carter, F.A., e.a. (1998). The role of exposure with response prevention in the cognitive-behavioral therapy for bulimia nervosa. Psychological Medicine, 28, 611-623.
    Chen, E., Touyz, S.W., Beumont, P.J.V. , e.a. (2003). Comparison of Group and Individual Cognitive- Behavioral Therapy for Patients with Bulimia Nervosa. International Journal of Eating Disorders, 33, 241–254.
    Compas, B.E., Haaga, D.A.F., Keefe, F.J., e.a. (1998). Sampling of empirically supported psychological treatments from health psychology: Smoking, chronic pain, cancer, and bulimia nervosa. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 66, 89-112.
    Fairburn, C.G., Jones, R., Peveler, R.C., e.a. (1991). Three psychological treatments for bulimia nervosa: a comparative trial. Archives of General Psychiatry, 48, 463-469.
    Fairburn, C.G. (1981). A cognitive behavioural approach to the management of bulimia. Psychological Medicine, 11, 707-711.
    Fairburn, C.G. (1997). Eating disorders. In D.M. Clark, & Fairburn, C.G. (Red.). Science and practice of cognitive behaviour therapy (pp. 209-242). Oxford: Oxford University Press.
    Fairburn, C.G., Jones, R., Peveler, R.C., e.a. (1993). Psychotherapy and bulimia nervosa: the longerterm effects of interpersonal psychotherapy, behaviour therapy and cognitive behaviour therapy. Archives of General Psychiatry, 50, 419-428.
    Fairburn, C.G., Marcus, M.D., & Wilson, G.T. (1993). Cognitive-behaviour therapy for binge eating and bulimia nervosa: a comprehensive treatment manual. In C.G. Fairburn & G.T. Wilson (Red.), Binge eating. Nature, assessment, and treatment (pp. 3-14). New York: Guilford Press.
    Fairburn, C., Norman, P., Welch, S., e.a. (1995). A prospective study of outcome in bulimia nervosa and the long-term effects of three psychological treatments. Archives of General Psychiatry, 52, 304- 311.
    Ghaderi, A., & Andersson, G. (1999). Meta-analysis of CGT for bulimia nervosa: investigating the effects using DSM-III-R and DSM-IV criteria. Scandinavian Journal of Behaviour Therapy 28, 79-87.
    Hartmann, A., T. Herzog, Drinkmann A. (1992). Psychotherapy of bulimia nervosa: what is effective? A meta-analysis. Journal of Psychosomatic Research, 36, 159-167.

    Hay, P.J., & Bacaltchuk, J. (2003). Psychotherapy for bulimia nervosa and binging (Cochrane Review). The Cochrane Library, 4. Chicester, UK: John Wiley & Sons.
    Hsu, L.K., Rand, W., Sullivan, S., e.a. (2001). Cognitive therapy, nutritional therapy and their combination in the treatment of bulimia nervosa. Psychological Medicine, 31, 871-879.
    Jansen, A. (1996). Bulimia nervosa effectief behandelen. Een handleiding voor therapeuten. Lisse: Swets & Zeitlinger.
    Jansen, A., Broekmate, J. & Heymans, M (1992). Cue-exposure vs self-control in the treatment of binge eating: a pilot study Behavioral Research and Therapy May;30(3):235-41.
    Jansen, A., Elgersma, H., Nederkoorn, C., e.a. (2002). What makes treatment of bulimia nervosa successful? Paper presented at the European Association for Behavioural and Cognitive Therapies (EABCT), Maastricht.
    Jansen, A., & Meijboom, A. (1988). Behandelingsstrategieën bij bulimia nervosa. Houten/Diegem: Bohn Stafleu van Loghum.
    Jansen, A,, Van den Hout, M.A.,, De Loof, C., Zandbergen, J. & Griez, E. (1989). A case of bulimia successfully treated by cue exposure. J Behav Ther Exp Psychiatry. Dec;20(4):327-32.
    Johnson, W.G., Tsoh, J. Y., e.a. (1996). Eating disorders: efficacy of pharmacological and psychological interventions. Clinical Psychology Review, 16, 457-478.
    Kennedy, S. H., Katz, R., Neitzert, C.S., e.a. (1995). Exposure with response prevention treatment of anorexia nervosa-bulimic subtype and bulimia nervosa. Behavioral Research and Therapy, 33, 685- 689.
    Leung, N., Waller, G., & Thomas, G. (2000). Outcome of group cognitive-behavior therapy for bulimia nervosa: the role of core beliefs. Behaviour Research and Therapy, 38, 145-156.
    Lewandowski, L.M., Gebing, T.A., Anthony, J.L., e.a., (1997). Meta-analysis of cognitive behavioral treatment studies for bulimia. Clinical Psychology Review, 17, 703-718.
    Lundgren, J., Danoff-Burg, S., & Anderson, D. (2004). Cognitive-behavioral therapy for bulimia nervosa: an empirical analysis of clinical significance. International Journal of Eating Disorders, 35, 262- 274.
    Safer, D.L., Telch, C.F., & Agras, W.S. (2001). Dialectical Behavior Therapy for Bulimia Nervosa. American Journal of Psychiatry, 158, 632–634.
    Schmidt, U., & Marks, I.M. (1989). Exposure plus prevention of bingeing vs. exposure plus prevention of vomiting in bulimia nervosa: a crossover study. Journal of Nervous and Mental Disease, 177, 259- 266.
    Tuschen-Caffier, B., Pook, M., & Frank, M. (2001). Evaluation of manual-based cognitive-behavioral therapy for bulimia nervosa in a service setting. Behaviour Research and Therapy, 39, 299-308.
    Whittal, M.L., Agras, W.S., & Gould, R.A. (1999). Bulimia Nervosa: a meta-analysis of psychosocial and psychopharmacological treatments. Behavior Therapy, 30, 117-135.
    Wilson, G. T. (1998). The clinical utility of randomized controlled trials. International Journal of Eating Disorders, 24, 13-29.
    Wilson, G.T. (1997). Treatment manuals in clinical practice. Behaviour Research and Therapy, 35, 205-210.
    Wilson, G.T. (1989). Treatment outcome in bulimia. Advanced Behavior Research and Therapy, 11, 161-174.
    Wilson, G.T., Fairburn, C.G., & Agras, W.S. (1997). Cognitive-Behavioral Therapy for Bulimia Nervosa. In D.M. Garner & P.E. Garfinkel (Red.), Handbook of treatment for eating disorders. New York: Guilford Press.